Dat bijen het moeilijk hebben, weten inmiddels veel mensen. Bij het woord ‘bij’ denken we meestal meteen aan de honingbij. Sommigen besluiten zelfs imker te worden om de bijen een handje te helpen. Maar de wereld van de bijen is veel groter dan alleen de honingbij.
Nederland kent naast honingbijen tientallen soorten hommels en honderden soorten wilde, solitaire bijen. Juist veel van die wilde soorten staan onder druk. Sommige zijn sterk achteruitgegaan, andere zijn zeer zeldzaam geworden of verdwenen.
Daar zijn verschillende oorzaken voor. Een belangrijke is het verdwijnen van bloemrijke leefgebieden. Op veel plaatsen domineren gras, strak onderhouden plantsoenen en een beperkt aantal plantensoorten. Dat ziet er misschien netjes uit, maar voor insecten valt er vaak weinig te halen.
Veel solitaire bijen hebben namelijk heel specifieke wensen. Ze zijn afhankelijk van bepaalde planten, zoals boerenwormkruid, ribes, toortsen en beemdkroon. Verdwijnt zo'n plant uit een gebied, dan kan ook de bij die ervan afhankelijk is verdwijnen.
Dat probleem speelt zowel in de stad als op het platteland, waar grote oppervlakten soms uit slechts enkele gewassen of grassoorten bestaan.
Chemicaliën en parasieten
Een tweede probleem is het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Sommige pesticiden kunnen schadelijke effecten hebben op insecten. Neonicotinoïden zijn daarvan een bekend voorbeeld. Onderzoek naar de sterke achteruitgang van insecten laat zien dat meerdere factoren tegelijkertijd een rol spelen, waaronder veranderingen in landgebruik, verlies van leefgebied, klimaatverandering en het gebruik van bestrijdingsmiddelen.
Daar komt voor honingbijen nog een heel ander probleem bij: de varroamijt. Deze parasiet, oorspronkelijk afkomstig uit Azië, heeft zich in de afgelopen decennia over grote delen van de wereld verspreid. De mijt parasiteert op honingbijen en kan bovendien virussen overbrengen. Zonder bestrijding kan een besmetting voor een bijenvolk ernstige gevolgen hebben.
En dan is er nog een ongemakkelijk onderwerp: op plaatsen met weinig bloemen kunnen grote aantallen honingbijen concurreren met wilde bijen om het beschikbare nectar en stuifmeel.
Dat betekent niet dat we bij MEERGroen tegen honingbijen of imkers zijn. Integendeel. Maar wanneer we meer bijen willen, moeten we vooral zorgen voor veel meer voedsel en leefgebied.
Van januari tot oktober eten
Daarom werken we hard aan bloemenweides. Die proberen we in te zaaien met een grote verscheidenheid aan soorten, zodat er gedurende een zo lang mogelijk deel van het jaar iets te bloeien valt. Van de vroege voorjaarsbloeiers tot planten die tot ver in de herfst nectar en stuifmeel leveren.
Ook houtige gewassen zijn daarbij belangrijk. Via de campagne Meer Bomen Nu werken we daarom met bloeiende soorten als meidoorn, gele kornoelje, linde en verschillende bessenstruiken.
Maar bloemen alleen zijn niet genoeg. Wilde bijen moeten ook plekken hebben waar ze zich kunnen voortplanten. Daarom plaatsen we insectenhotels.
En daarbij liepen we tegen een interessant probleem aan.
Bijen verhuizen
Op sommige plekken is de bijenstand inmiddels zo sterk achteruitgegaan dat je er bijna van een ‘bijenwoestijn’ kunt spreken. Je kunt daar prachtige bloemenweides aanleggen en insectenhotels neerzetten, maar als de soorten die daarvan gebruik zouden moeten maken in de omgeving vrijwel verdwenen zijn, duurt natuurlijk herstel soms lang.
Daarom experimenteren we in Heemstede met een andere aanpak.
Op locaties waar veel wilde bijen voorkomen, zoals rond het Sorghbosch, plaatsen we extra insectenhotels. Na verloop van tijd worden de nestgangen gebruikt en gevuld met broed. Vervolgens kunnen we zo'n bezet insectenhotel verplaatsen naar een bloemrijk gebied waar nauwelijks nog wilde bijen voorkomen.
Deze week hebben we dat opnieuw gedaan.
Het is eigenlijk een eenvoudige gedachte: zorg eerst dat de nieuwe woonplaats geschikt is, met voldoende bloemen en voedsel, en help vervolgens de bewoners om die plek te bereiken.
Of deze aanpak op langere termijn leidt tot gezonde, zichzelf in stand houdende populaties, zullen we goed moeten blijven volgen. Maar de natuur beschikt over een indrukwekkend herstelvermogen. Soms moeten we alleen de omstandigheden creëren waarin dat herstel weer een kans krijgt.
Het werk deze week
Ook het weer liet deze week weer van zich horen. Het was voor de tijd van het jaar opvallend aangenaam. Zorgwekkend lekker weer, zou je bijna zeggen.
We hebben van die omstandigheden gebruikgemaakt om op Meermond stevig aan de slag te gaan met de overmatige bramengroei.
Op plaatsen waar we de meterslange bramenranken eerder hadden gemaaid, onder andere rond de uitzichtheuvel, konden we nu beginnen met het uitsteken van de wortels. Elders, bijvoorbeeld langs de toegangsweg, kregen de lange uitlopers eerst bezoek van de bosmaaier.
Na ongeveer een week drogen kunnen we het materiaal opruimen en ook daar beginnen met het verwijderen van de wortels.
Daarbij gaan we niet klakkeloos te werk. Tussen de bramen staan namelijk allerlei jonge bomen en struiken. Die proberen we zoveel mogelijk te sparen. Deze winter worden veel van die zaailingen uitgegraven voor de Meer Bomen Nu-campagne, zodat ze elders een nieuwe bestemming kunnen krijgen.
Er staat alweer een mooie voorraad klaar: onder andere meidoorns, wilde pruimen, kersen en krieken.
Zo levert het terugdringen van de ene woekeraar meteen nieuw plantmateriaal op voor andere plekken. In de natuur hoeft bijna niets verloren te gaan.
Wie zelf eens wil ervaren hoe dat werk eraan toegaat, is van harte welkom om contact op te nemen. Dan maken we een afspraak.
Stichting MEERGroen
Franke van der Laan
06-48226490