Een fijn dagje strand

Foto: Charles Duijff

Mijn fietsbel klinkt. Voor mij zwoegt een vader op een bakfiets met daarin drie peuters. Op zijn hoofd een blauwe pet van Ralph Lauren. Zijn zongebruinde en sportief gebouwde vrouw in kort roze broekje ernaast. Ik probeer er al een tijd langs te komen, maar bij iedere poging hiertoe schieten er scooters en andere fietsers van achteren voorbij. Eigenlijk ben ik het nu al zat.

Want als het op het fietspad al zo druk is, hoe zal het op het strand dan zijn? Ik krijg beelden door van overvolle fietsenrekken, ballen die net te hard tegen mijn hoofd aanrollen en moeders die vanaf hun ligbedje schreeuwen dat de patat er is. Puur omdat ze geen zin hebben om op te staan en de kinderen te halen. En van pubers naast me die per sé hun favoriete dansnummers via de portable speaker willen delen met elkaar. Van non-stop roddelende vijftigers die topless zonnen, geen schaamte kennen en bij wie de fles rosé nooit leeg mag zijn.

Van de vlieg die steeds weer terugkomt en op mijn onderbeen gaat zitten, vaak vergezeld door de wesp die niet bij mijn zonnebrandcrème is weg te slaan. De twee meter verderop staande uitpuilende vuilnisbak; er was geen ander vrij plekje meer. De koude meeuwenklets die vlakbij mijn hoofd in het zand belandt en mij uit mijn ontspannen modus haalt. Het ritmische geklop op het zand van de man die verderop zijn voet niet stil kan houden. En ieder half uur weer die ronkende motor en rinkelende bel van de rijdende viskraam die een sterke frituurlucht verspreidt.

De letters in mijn boek die door de hitte en het felle zonlicht dansen voor mijn ogen. De zonnebril die ik hiertegen opzet en die een horizontale streep bovenaan mijn neus achterlaat. De continu omwaaiende bladzijden van een middelmatig tijdschrift met artikelen over mindful eten, je herboren voelen en leren omgaan met je narcistische ex. De anderhalve liter water die ik vlak voor vertrek bevroren uit de koelkast trok en nu smaakt als lauwe pis. Het zelf meegenomen fruit dat spontaan is gaan gisten in mijn tas, het gesmolten mueslireepje.

Eenmaal aangekomen op het strand ben ik kapot. Met een bezwete rug en pijn aan mijn zitvlak kijk ik uit over een strand bezaaid met dagjestoeristen. Ik zie grote kuilen en kleine zandkastelen, schepjes, emmertjes en felgekleurde ballen. Ligbedden, klapstoelen, windschermen en parasols. Ik hoor huilende kinderen, krijsende meeuwen, lachende meisjes, het geluid van voetballen in het zand. Ik hoor de zee niet. Ik zie nog maar één vrij plekje. Daar, naast die uitpuilende vuilnisbak. Veroveren, insmeren, liggen en genieten maar. Het is immers mooi strandweer.

Reacties