Bambi en zijn vrienden

Foto: Irene Campfens

Mijn eerste kennismaking met een hert was met Bambi. Ik was niet ouder dan zeven jaar en zag hoe brute jagers zijn moeder doodschoten. Zeer ontdaan verliet ik de bioscoopzaal – ik meen die van de oude Filmschuur – en huilde de hele weg terug naar huis, achterop de fiets bij mijn vader.

Het besef dat er op enkele kilometers bij mij vandaan honderden herten leefden was er nog niet. Affiniteit met deze troeteldiertjes en fascinatie voor ‘wilde’ natuur des te meer. In die tijd leefden er veel minder damherten in Zuid-Kennemerland. Een hert spotten was even zeldzaam als het in de verte zien van een wild zwijn op de Veluwe. Althans: zo beleefde ik dat in de jaren tachtig. Jaren later, maart 2017, liet een telling van damherten en reeën in de Amsterdamse Waterleidingduinen (AWD) en de andere delen van het leefgebied zien dat hier minimaal 3253 damherten en 4 reeën leefden. Daarvan werden er niet lang erna 1328 geschoten. Zo’n 1279 bleken voor consumptie geschikt en werden aan de groothandel geleverd.

Nu eet ik zelf al zo’n 23 jaar geen vlees (en vis) meer, toch ben ik benieuwd naar de smaak van zo’n hertenbiefstuk of wildburger. Is het extra lekker omdat de herten in het wild hebben geleefd? Nou ja, in het wild. Keurig achter de hekken. In ieder geval hebben zij naar hartenlust gedarteld en geburld. Actief beheren noemt de gemeente Amsterdam dit: het gefaseerd terugdringen van de hertenpopulatie. Gemeente Amsterdam? Goed opgemerkt: het duingebied waar wij wekelijks wandelen valt onder verantwoordelijkheid van deze gemeente. Het gebied heet niet voor niets de Amsterdamse Waterleidingduinen.

Persoonlijk vind ik het fijn om de natuur zo dichtbij te hebben. Het schrijven over herten doet mij denken aan een andere ontmoeting met de nabije natuur. Mijn verhuizing naar Heemstede, bijna acht jaar geleden. Tijdens een klusdag schrobde ik mijn handen schoon onder de stromende keukenkraan – ik zat onder de verf en ander kliedermateriaal – toen mijn oog op iets viel. Het uitzicht vanuit de keuken was (en is) fenomenaal: de spoorbaan. Langs de rails, verborgen in het groen, lag een oranjekleurig ding. Wat was het? Ik heb er dagen naar gestaard totdat mijn eega op een dag vertelde dat hij ’s ochtends vroeg jonge vosjes had zien rondscharrelen bij het spoor. Zij zochten hun moeder. Die lag daar dood.

Geboorte en sterfte horen bij de natuur. Daar hoeven wij mensen ons niet te veel mee te bemoeien. We zoeken de plantjes en diertjes maar wat graag op en hopen stiekem bij iedere wandeling door bos en duinen dat we een bijzondere vogel, groot hert of tam vosje tegenkomen. Zo énig. Het wordt eigenlijk pas ingewikkeld als we hinder ondervinden van de natuur. Wildgroei van groen dat niet bij het plantsoenontwerp hoort, woekerend onkruid dat stoeptegels ontzet, ramen vol met vogelstront, schooierende vossen in de woonwijk, damherten die voor de auto springen.

Daar zit de crux: mens en dier moeten samenleven op dezelfde vierkante meters. We willen dieren zien, maar alleen als het ons uitkomt. We voeren ze totdat ze niet meer zelf kunnen jagen. We willen met ze op de foto voor op Facebook en nemen de kinderen mee. Tegelijkertijd willen we natuurlijk geen kaalgevreten tuin of gevaarlijke verkeerssituaties. Liever ook geen schreeuwende meeuwen op het dak of woelende mollen onder het gras. Maar wat dan wel? Ik vind het een lastige kwestie en denk er vaak over na. Meestal vind ik geen pasklaar antwoord. Wat doet u?

Reacties